8 — avondmensen

bedden 08

Eerder schreef ik dat wie nog slechts één detoxopname achter de rug heeft, of zelfs aan die eerste nog steeds ontsnapte, dat diegene geluk heeft en dat hij of zij nog aan de goede kant staat. Ik drukte u op het hart om daar te blijven, want de kans is groot dat u verder zult trekken, mijn richting uit. Waarom dat zo is, wat mensen in hemelsnaam bezielt, daarvoor trek ik wederom de moeder uit de kast, de vrouw uit mijn eerste detoxbericht.

Maar nu, tussendoor, schiet me te binnen dat ik iemand al eens eerder op het hart drukte om te blijven zitten waar hij zit, zich niet te verroeren. Dat was tijdens mijn derde of vierde detoxopname in de Jellinek, een beetje ben ik het overzicht en de tel kwijt, maar wel waren die opnames altijd in de Obrechtstraat. Althans vaak wel. (Ik denk soms: wat moet de lezer wel niet van mij denken? Maar die gedachte komt dan rijkelijk laat.) Die keer deelde ik een kamer met een lotgenoot, soms komt dat voor. Voor hem was het zijn eerste opname. Op een avond, laat, lagen we op ons bed, ik las wat, hij keek naar het plafond, lag wat te denken. Het is een omgeving waarin je ook wel iets hebt om over na te denken. Opeens voelde ik dat hij naar mij keek. Ik dacht: ‘Weet je wat?’ en ik legde mijn boek weg. Ik zei tegen hem: ‘Ik zie je naar me kijken, ik zal je vertellen wat je nu denkt.’

‘Je denkt: “Pitt is hier nu voor de zoveelste keer, er komt een dag dat hij de tel kwijtraakt, dat zul je zien. Geen onaardige man misschien, maar hij is een sukkel, een loser, voor hem is er geen hoop. Gelukkig ben ik niet zoals hij. Ik heb veel meer kracht in me. Deze detoxopname heeft mij in één klap wakker geschud, volledig. Dat had ik blijkbaar nodig. Die Pitt is Pitt, maar ik drink niet meer.”’

‘Dat,’ zei ik, ‘dat denk jij.’ Hij zweeg. ‘En nu,’ ging ik verder, ‘nu wat ik denk, wanneer ik naar jou kijk. Jij gaat straks naar huis, naar je vrouw en twee kinderen. Die zijn blij je te zien, weer fit en vooral: nuchter. Een week later ga je weer aan het werk. Alles gaat goed, en inderdaad, je drinkt niet meer. De klap van deze opname kwam hard aan, de schrik zit er goed in. Na een half jaar is die schrik weggeëbd, je zelfvertrouwen geheel hersteld, de opname raakt steeds verder op de achtergrond en lijkt meer en meer alleen maar een boze droom. De zon schijnt en blijft schijnen. Je krijgt een hardnekkige gedachte: zou het echt nooit meer kunnen? Heel af en toe misschien? Je vrouw is onverbiddelijk: nee. Je denkt: “Maar ik ben sterker dan toen, ik ken de gevaren nu goed, ik zal me nooit meer zo laten gaan.” En je denkt, heel intens: “Allen die ik liefheb, zijn mij te lief, alles wat ik liefheb, is mij te lief.” Oké, dus ditmaal wil je niemand belasten of bang maken, je houdt nu rekening met je omgeving. Daarom drink je in het verborgene, achter ieders rug om. Je wordt een stiekeme drinker, niet veel, een klein beetje maar, en slechts af en toe, precies wat je wilde. Het lukt. En dit bewijst jouw gelijk. Je hebt gewonnen.’

De man was een goed gehoor, hij zei niets, luisterde alleen maar. Het ontbrak hem geheel aan de gevreesde ‘ja maar’ ziekte, een vrij ernstige aandoening, waar menigeen in dit gebouw mee te kampen krijgt. En waar gek genoeg nog altijd geen pilletje tegen bestaat. (Soms lijkt het alsof de verslavingszorg tegenwoordig wel heel erg leunt op psycho-medicatie, soms lijkt het alsof deze tent nu helemaal wordt gerund door medisch en psychologisch personeel. In werkelijkheid wordt de tent gerund door de kracht die van een groep uitgaat, gestuurd door de gewone behandelaars. Zij doen het. Dit was vanaf het begin al zo en dat zal ook altijd zo blijven. En dit mag je met recht evidence based noemen. En natuurlijk: alles óók met behulp van psychologen. Maar het meedeinen op de stromen van de tijdgeest zal wel onvermijdelijk zijn. Een miljoen Nederlanders slikt antidepressiva, dat is nogal wat. Het is te verwachten dat deze middelen binnenkort worden toegevoegd aan ons drinkwater. Dat is goed nieuws voor verslaafden. Maar dán zeg ik: nee, dan word ik wel een bierdrinker.

de gevreesde ‘ja maar’ ziekte
‘Ja maar, morgen óf overmorgen drink ik toch nooit meer?’
‘Ja maar, als ik vroeg opsta, dan heb ik de héle dag niets te doen!’
‘Ja maar, mijn terugvallen betekenen toch juist dat ik gestopt ben?’
‘Ja maar, mijn verslaving is een ziekte hoor!’
‘Ja maar, mijn IQ is te laag om te kunnen stoppen!’

Dat laatste heb ik eerlijk gezegd nooit gehoord, maar ik zou het wel een goeie vinden. Of een te hoog IQ. De mooiste die ik ooit meemaakte was: ‘Abstinent blijven? Ja maar, ik heb een hond!’ Hahaha! Niemand begreep wat die hond ermee te maken had, maar ik vond het geweldig klinken. De cliënt wilde stomweg ‘ja maar’ zeggen, het maakte niet uit wat er achteraan kwam.

‘Twee dingen hebben je nu volkomen op het verkeerde been gezet. Ten eerste het feit dat het je lukt om met mate te drinken en ten tweede het geloof dat je hebt in je eigen kracht. Het is een wrange ironie dat juist deze twee je de das om gaan doen. Zij kosten je de kop. Mensen die zogenaamd zwak zijn, die jij waarschijnlijk zwak vindt, zoeken eerder hulp en houden die ook langer vast. Hoe dat ook zij, het gaat langzaam maar zeker weer mis met je, je drinkt nu ook op je werk, een tweede detoxopname is nodig. Maar nu ben je je baan kwijt. Je omgeving voelt zich door jou verraden en dit kost je je zelfvertrouwen. Het lukt je niet om snel weer aan de slag te komen, en het lukt je ook niet om de lege dagen te vullen, je wacht af, je wacht alleen nog maar en je wacht te lang, op een soort wonder. Je drinkt weer. De derde detoxopname volgt, maar nu ben je ook je vrouw en kinderen kwijt. Daarna woon je ergens in een appartementje, je begint er weg te kwijnen, omgeven door lege flessen. Je dagen lijken geteld. Je vindt de kracht voor een vierde detoxopname. Je deelt je kamer met een lotgenoot, het is zijn eerste keer. Het is avond, laat, jullie liggen op bed, je leest wat. Dan voel je dat hij naar je kijkt…’

Een tijdje bleef het stil. Toen vroeg hij: ‘Wat had ik dan moeten doen om dat alles te voorkomen?’

Ik zei: ‘Dat moet je nú al doen. Dat is: diep beseffen in welk groot gevaar je verkeert. Jezelf niet gaan vergelijken met mij, met niemand. Eigenlijk zou er boven de ingang van dit gebouw een bord moeten hangen, een plakkaat. Met het opschrift: ‘Laat varen alle hoop, gij die hier binnentreedt.’ Daarmee bedoel ik: laat varen alle hoop dat je nog enigszins normaal kunt drinken. Door hier naar binnen te gaan, deze drempel over, je eerste opname, daarmee ben je een grens gepasseerd. Dit gebouw is voor jou nu een speciale plaats, het is een point of no return. Wie dat niet gelooft, en dat zijn er nogal wat, die komt er wel achter. En houd nu goed voor ogen: dit is nog altijd je eerste opname. Het is aan jou hoe het nu verder gaat. Ga naar meetings, AA of andere zelfhulpgroepen. Volg een therapie. Ten minste een jaar lang. Zorg dat je vrij blijft van terugvallen. Slik refusal. Voor mijn part ook antidepressiva. Dóe iets. En vooral: neem dit serieus. Een verslaving laat jou echt niet zomaar gaan. Neem dit dus: bloedserieus.’

De moeder. Hoe ontsnapte die eigenlijk aan haar ondergang? Dat scheelde immers niet veel. Tijdens het gesprek met Jeroen Pauw nam ze een woord in de mond dat je in de verslavingszorg vaak hoort: rock-bottom. Dat is: het dieptepunt. De bodem van de put. Bijna álles verloren. Voor menige verslaafde geldt: pas wie daar is aangekomen, grijpt eindelijk in. Laat zich opnemen voor een behandeling, geeft zich eindelijk over. Waarom dat zo lang moet duren, ik weet het niet. Er zit iets in verslavingen dat zichzelf in stand houdt. Of is het zoals een natuurwet, je kunt niet verder naar beneden dus dan maar omhoog? Of het is doodgewoon pure doodsangst? Waarvan we dan zeggen: beter laat dan nooit?

De vraag is: móet het zo ver komen? Moet je werkelijk richting rock-bottom?

Nee.

Kun je veel eerder ingrijpen?

Ja.

Pitt

omhoog

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *