22 — tussen hond en wolf

hondwolf

Deze weblog riep ik in het leven toen ik nog in de nazorg zat, ik begon ermee tijdens mijn laatste twee maanden. Ik had hem veel eerder het licht willen doen zien — het idee ontstond al tijdens de dagbehandeling, op suggestie van mental coach Hans West — maar zoals ik in mijn vorige bericht schreef: zodra ik na de dagkliniek de wereld van de abstinentie binnenging, deed ik geen van de dingen meer die ik graag deed. Buitenshuis was ik actief, daarbinnen nauwelijks nog. Mijn pianospel verdween, ik las nauwelijks meer een boek, ik zwom niet meer, en het ergste was wel dat ik niet meer schreef. Dit laatste kostte me zelfs een vriendschap. Een verre vriend in een ander land — heel af en toe zagen we elkaar, we belden soms, maar vooral schreven wij — iemand die mij de laatste jaren door dik en dun had gesteund, het begon hem ineens allemaal te lang te duren. Je dagbehandeling zit erop, je bent terug op aarde, schrijf mij nu weer, Pitt! Ik deed het niet. Ik had tijd nodig. Hoe dat kwam, en tijd waarvoor? Ik weet het nu nóg niet.

Ik hield er rekening mee dat het verslaafde deel in mijn brein mij dit flikte. In die dagen hield ik met álles rekening. Ik dacht: stel nu dat ikzelf dat verslaafde brein ben, ik speel even Koning Alcohol. Ik merk dat het bombarderen met hevige trekmomenten weinig invloed heeft op Pitt. Hij heeft inmiddels overal een trucje voor. Zo glad als een aal geworden. Dus erg gemakkelijk krijg ik hem niet terug in de fles. Maar wat nu als ik al zijn liefhebberijen blokkeer? Daar wordt hij goed ziek van! Hij zal denken: ‘Wat heb ik een klote-abstinentie! Dit is tien keer niks!’ En dán krijg ik hem mijn kant op. — En ik, Pitt, moet toegeven: hij kwam een heel eind. Denk nu niet: ‘Zó doortrapt? Klinkt dat niet iets te mooi?’ Besef dan altijd dat het je eigen brein is waar je het tegen opneemt. Ik dacht tijdens mijn opname vaak: hoe kan het toch dat alle verslaafden hier zo rustig aan de tafels zitten, tijdens de modules? De gedachte dat je eigen brein je aanvalt, tot de dood erop volgt, daarvan moet je toch buiten zinnen raken? Eh… ja, eigenlijk wel. Toch gebeurt dat niet. Daar komt nog bij dat niet iedere cliënt het gevoel heeft dat hij hier is vanwege een strijd op leven en dood. Velen denken nog dat het niet hun middel is, maar alleen hun te veel gebruik. De droom om met mate te kunnen drinken, houdt met diepe fundamenten krachtiger stand dan de oude stadsmuren van Constantinopel. Die muren staan er voor een groot deel nog altijd, ga maar kijken, in het oudste deel van Istanbul. Ik zou drankzuchtigen sowieso aanraden om een tijdje alleen naar moslimlanden te reizen. Die kennen nauwelijks een openlijke drinkcultuur. Turkije, Iran, dat zijn erg mooie landen. Niet bang zijn, er gebeurt niks.

Veel later schreef ik mijn verre vriend weer wel, uitvoerig, maar te laat, hij was weg, antwoordde niet meer. Juist doordat ik nu werkelijk was gestopt, ging een vriendschap verloren. Weer eens wat anders dan zitten wachten op beloningen.

Het uur tussen hond en wolf.

Dit is een erg oude uitdrukking, je komt hem al tegen in vroege Latijnse teksten, inter canem et lupum. Er wordt letterlijk mee bedoeld: de schemering. Tussen licht en donker. Je loopt in het schemerduister, een gedaante doemt op, hij staat voor je, je ziet hem op zijn vier poten staan, maar je kunt niet uitmaken: hond of wolf. Vriend of vijand. Je bent in het uur tussen hond en wolf.

Zo keek ik toen naar abstinentie. Ik kon soms niet goed zien wat er voor mij stond. Vloog het mij naar de keel? Verloor ik nog meer vrienden? Hoeveel waren er eigenlijk nog? En wat moest ik verder nog onder ogen gaan zien? Of: zou het mij volgen, als een trouwe viervoeter, waar ik ook ging? Wat ging het mij kosten? Wat zou het mij geven? Eén ding was duidelijk: op deze vragen zou ik geen antwoord krijgen als ik het niet probeerde. Dat antwoord zou samen met hond en wolf in de schemering blijven hangen. Als ik een behandelaar was zou ik heel erg aandringen op: houd het één jaar vol. Abstinent. Geef jezelf een nuchter jaar de tijd. En kijk dan nóg eens, wat staat er vóór je? Hond of wolf?

Deze methode, om het zo maar even te noemen, dit droogstaan voor in ieder geval de duur van een jaar, heeft bovendien een aantal voordelen. In de eerste plaats is ‘nooit meer’ van de baan. De uitdrukking ‘zeg nooit nooit’ is speciaal voor verslaafden op de markt gebracht. In de tweede plaats gebeurt er na dat jaar iets heel belangrijks. Ongeacht of je een verslaving opvat als ziekte of niet: wie na een nuchter jaar toch weer terugvalt, wie teruggaat naar zijn oude niveau en patroon van gebruiken, die kiest dan eindelijk voor zijn verslaving. Dat kiezen moet toch veel rust geven, je valt nu samen met je middel, het verzet ertegen is gestaakt. Daarna komt de dood. Maar daar is op zichzelf niks mis mee. The Grim Reaper. Pierlala. De verslaafde kan eindelijk tegen zijn omgeving zeggen: dit is wat ik wil, zo wil ik leven, zo wil ik sterven. Het is uiterst zelden dat je iemand dát hoort zeggen — ik zou er op een bepaalde manier respect voor hebben — maar hoewel hij dat niet zegt, is het wel waar hij naar handelt. Een jaar. Meer niet. En, ik schreef het al eerder, voor mij geldt nu: er is geen weg meer terug.

Waarom eigenlijk niet?

In de eerste plaats al niet vanwege de zwaarte van het afgelopen jaar. Laat niemand denken dat dit jaar makkelijk was, niet voor mij en ook niet voor degenen met wie ik de nazorg verliet. De drogen. Versus de natten. We zijn niet eventjes uit de as herrezen. Alcohol trok en duwde aan alle kanten. En soms doet het dat nog steeds. Nog een anti-verslavings-tip: ga een keer naar het Verzetsmuseum, tegenover Artis! Het is mooi opgezet en daar kun je zien hoe er altijd een grote groep mensen is die in verzet komt, onder alle omstandigheden, die mensen zijn er altijd. Sluit je bij hen aan. Er is één verschil tussen de verzetsmensen en jou. Zij bekochten hun verzet vaak met de dood. Voor jou geldt precies het tegenovergestelde.

In de tweede plaats heb ik nu al te veel in handen gekregen, dingen die ik niet meer loslaat. Het is lente, ik ben weer regelmatig buiten, om maar eens wat te noemen. Naar het Land van Nescio, fiets! Dat deed ik niet toen ik dronk. Je kómt er misschien wel, maar hoe kom je weer thuis? Want overal staan leuke kroegjes, een beetje babbelen, met de locals, de dorpelingen. Een keer, boven op de dijk, na zo’n gesprekje en na een aantal kopstootjes, stapte ik op mijn fiets, zwaaide een been over het zadel en viel er aan de andere kant meteen weer af. Ik rolde helemaal van de dijk naar beneden. Nee, dat is niets voor mij, ik hou daar niet van. Zeker niet toen ik ook nog door een heel bed brandnetels ging. Ik liep maar weer terug het kroegje in, dit was echt niks zo. Tegen de jeukende bultjes kreeg ik van de herbergier een fles azijn. Of hoe zeg je dat, van de kastelein. De kroegbaas of barman. In het toilet goot ik die fles boven mijn hoofd leeg. Ik doe liever niks half. Zo nam ik weer plaats aan de tap, als iemand waar een luchtje aan zit. Daar dronk ik verder, want ja, wat moet je anders? De dorpelingen vonden alles best, er gebeurde weer eens iets. Op weg naar huis later die middag, tussen de weilanden in de schemering, toen kwam ik ze wéér tegen, nu reden ze in een auto voorbij en zagen me liggen, omdat ik in een sloot gereden was. Al die dingen, het is zó vermoeiend allemaal! Ze stopten, hadden plezier voor tien. Wel gaven ze mij en mijn fiets een lift.

Nee, thuis zitten, drinken en wat treuren, dat ging nog het beste. Ik luisterde vaak naar R.L. Burnside, het nummer It’s bad you know. Een heel simpel nummer met maar één akkoord en maar één baslijn. Daaraan zie je al dat het speciaal voor alcoholisten op de markt is gebracht. Het enige wat hij zingt is: ‘It’s bad you know.’ En terwijl ik luisterde, dacht ik: ja, zo is het precies. It’s bad.

Drinken en treuren, niet alleen om de dingen die ooit waren, maar vooral ook om de dingen die er niet zijn, die ook niet komen. De schrijfster Edith Warton:

and in the innermost room
the holy of holies
the soul sits alone
and waits for a footstep
that never comes.

Die niet komt. Tenzij… je… Dan misschien weer wel. Dus wat je ook doet, waar je ook gaat, bedenk één ding: wees op je hoede in de schemering. Blijf kijken. Want daar staat de een, of daar staat de ander.

‘Never cry wolf.’

Pitt

2 gedachten over “22 — tussen hond en wolf”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *