3. dagdetox — vreemde snuiters

vergadering 07

Ik denk niet dat je op aarde een wonderlijker schepsel vindt dan de verslaafde medemens. Langzaam leer ik de mensen in mijn groepje een beetje kennen. Voor wie er tegenop ziet om naar een verslavingskliniek te gaan vanwege het feit dat hij in een groep moet meedraaien, weet dan één ding: je kijkt er je ogen uit. Vreemde snuiters bij de vleet. Alleen daarom al zou je naar een kliniek gaan, je rolt van de ene verbazing in de andere. Bedenk wel dat je lotgenoten, inclusief de behandelaars, op dezelfde manier naar jóu kijken. Wanneer jij daar de eerste keer je entree maakt, dan denken zij: hoe is het in vredesnaam mogelijk dat zo iemand gewoon vrij rondloopt? Maar goed, zo vrij was je dus eigenlijk ook niet.

Zoals bekend slaat drankzucht in alle lagen van de bevolking toe, daar begint het al mee. Je ontmoet in de kliniek mensen die volkomen uiteenlopen in karakter en temperament, uiterlijk en achtergrond, rang en stand. Het loopt dus door elkaar, we zitten altijd aan tafels, soms in carré, of aaneengeschoven. Ooit zaten cliënten ook op stoelen in een kring, maar dat is niet meer. Wel jammer, want ik heb nog altijd het beeld voor ogen van wat ik destijds de addict position noemde: een man in een groep, hij hangt helemaal onderuitgezakt in zijn stoel, zijn beide stelten wijd uiteen gespreid, vanaf een schouder bungelt een van zijn twee voorpoten langs de stoel naar beneden zeg maar. Met deze positie drukte de verslaafde uit: flikker op. Misschien is dat ook meteen de reden waarom het kringgesprek uit de handel genomen is.

(Destijds? Daar kom ik nog op.)

Een greep uit een willekeurige groep, in het hier en nu: aan mijn rechterhand zit dan een soort fair lady, immer stralend en altijd fatsoenlijk gekleed. Een mond als van honing, dan weer scherp als een mes. Geestverruimend type. Geflankeerd door een wat morsig zwerversfiguur dat de hele tijd zit te geeuwen. Maar wel: immer lustig, immer scharf, type straatmuzikant passionato. Tegenover mij neemt de kaalhoofdige taalfilosoof plaats, keurig getrimde baard, een beetje een dromerstype. Alcohol. Naast hem klusjesman Michiel, tevens aanhanger van Epicurus’ gedachtegoed. Michiel is cocaïnefetisjist. Aanvankelijk kreeg hij hier van het psychologisch personeel bijna alle mogelijke persoonlijkheidstoornissen opgeplakt die er zijn, als was het een soort studiereis door het land der gekheid; ik weet niet eens meer wat hij nú heeft. Zelf vind ik hem doodgewoon ouderwets geschift. De taalgeleerde en hij zijn druk in gesprek over een nieuw te bouwen boekenkast, waar ook de met ruwe baardstoppels getooide maquettebouwer zich opeens in mengt. Alcohol. Hij berekent alvast de afmetingen: dit maal dat, iets erbij iets eraf, gedeeld door twee en daar de wortel uit. Dat werk. De jonge chemisch analist in opleiding oogt heel fris, ik vind hem ook een frisse denker, bovenkamer bijna weer geheel hersteld van gebruik van een zwaar verdovend middel. Is nog geen 25, maar nu al op de goede weg. Zelf deed ik daar veel langer over. Adri (40), type well organized, bijgenaamd Triple A – vanwege het feit dat al die figuren tegenwoordig zwaar bier met liters tegelijk innemen, gewoon normaal doen is er allang niet meer bij – hij verhuurt in Amstelveen snorfietsen. ‘Nooit meer last van tegenwind,’ knort hij tevreden. Ook hij doorliep een klein scala van geestesstoornissen en eindigde heel toepasselijk met een soort cyclo syndrome. Vergelijkbaar met fietsen in Berg en Dal. (Onder de groene hemel en in de blauwe zon.) En ik? Ach, ik! Dat eeuwige ik. De waarheid is dat er aan mij niet veel te ontdekken viel, niet binnen deze muren. Ahmed en Adinda zijn er ook, coke en cannabis, verslavingen storen zich niet aan cultuurverschillen. Storen zich evenmin aan landsgrenzen, want de sympathieke Pjotr Pavlov is eveneens van de partij, uit Azerbeidzjan. Alcohol. Gelukkig geen familie van de beroemde dierenbeul uit Sint Petersburg, over wie wij in de kliniek nota bene een uur lang kolderonderricht krijgen! Dankzij hem weet ik nu dat wanneer je een verslaafde bovenop een tafel stevig vastbindt, hem volstouwt met slangen en buizen in mond en keel, vervolgens een aantal honden vraagt om het geluid van ijsblokjes in een whiskyglas na te doen, dat de verslaafde dan hevig verlangt naar alcohol. Maar daar hoef je een drankzuchtige helemaal niet voor te martelen, daar verlangt hij sowieso wel naar! Eerst geloofde ik dit allemaal niet, maar Pavlov bewees het.

Ach, en nu ik het genoemd heb… het getinkel van blokjes ijs in een glas whisky… bestaat er op de wereld een mooier en lieflijker geluid dan dit tinkelen? Het woord alleen al! En ook nog… plop… de kurk uit de fles, dat is ook heerlijk. Tinkelen en plop, dat noemen we onomatopeeën, klanknabootsingen. Dus ook tiktak. Sissen. Koekoek. En niet te vergeten: klokklok. Eigenlijk word ik al niet goed bij die ene regel van Vestdijk: ‘En dan aten we: smak, glap, slop, slok, slurp!’ Klankpoëzie noemen ze dat, maar ik blijf er nu ver bij uit de buurt.

Misschien zijn er lezers die nu denken: ‘Zeg Pitt, is het wel verstandig om zo weg te dromen bij deze geluiden?’ Nee, misschien niet. Maar ik zit nu op twee maanden na nog in mijn eerste droge jaar, dus het mijmeren, deze weemoed, dat ebt wel weg, laat het nog maar even, zo af en toe.

Het voelde erg vreemd om hierboven de mensen in een van mijn groepen te omschrijven met hun verslaving erbij vermeld. Ik deed het op luchtige toon, omdat ik niet weet hoe het anders zou moeten. Maar het is alsof je een ziekenboeg beschrijft, hij daar: gebroken been, zij hier: infectieziekte. Alsof een verslaving iets is dat met de juiste medicijnen en voldoende rust weer overgaat. Maar dat is het niet. De mensen die ik hier ontmoet, leven zij nog, over tien jaar? Nee, niet allemaal. De alcoholisten die doordrinken bezwijken het eerst, drugsgebruikers volgen, zij het in wat langzamer tempo. Hadden allen die hier komen een gelijke kans op overleven? Ja, volkomen gelijk. Hier kom ik nog op terug. ‘Zeg eens Pitt, kom jij soms overal op terug?’ Ja, overal op. Tot de ring gesloten is.

De vreemde snuiters. We hebben een oudere man in ons detoxgroepje, alcoholist, een gewezen onderwijzer. Meer dood dan levend werd hij in een rolstoel de klinische detox binnengereden, daar spoten ze hem vol met het magische oplapmiddel thiamine, vitamine B1, zijn benen deden weer dienst, hoofd ook, toen door naar mijn dagdetox en straks gaat hij naar Hilversum, de ambulante hulpverlening Jellinek Gooi en Vechtstreek. Hij heeft geen halve maatregelen genomen om thuis nuchter te blijven, namelijk: hij kocht een peperduur blaasapparaat. Wat hij daarmee wil? Voortaan moet iedereen die bij hem op bezoek komt eerst blazen. Geen drank over de vloer, ook niet op twee benen. Hij zegt: ‘Kijk, ze zeggen wel dat ze niet gedronken hebben, maar ik vertrouw de mensen niet.’ Dat komt dan goed uit, want zij vertrouwen hem nog veel minder. Heeft dit zin? Ik denk het niet, als het hem helpt, misschien, maar feitelijk schuift hij zijn probleem ook nog eens door naar anderen. Ikzelf, zoals de meesten van ons, haal wel degelijk drank in huis wanneer ik weet dat bezoek daar trek in heeft. Zolang ze het maar niet te gek maken. Wanneer het goede vrienden zijn, vraag ik wél om de overgebleven flessen mee naar huis te nemen. Want zolang ik leef, is het me nog nooit gelukt om drank door de gootsteen te spoelen, ik denk dat ik daar fysiek niet toe in staat ben. Psychisch, bedoel ik. Dus psychisch fysiek niet. Ik kan wel tegen mijn lichaam zeggen: hee, gooi die drank eens even weg, maar dan luistert het gewoon niet. Eigenlijk is het allemaal de schuld van mijn lichaam. Ik bedoel van mijn geest. Een enkele keer hoor je een cliënt hier hardop zeggen: het is allemaal de schuld van de Jellinek. Daar ben ik het mee eens. Wij zijn ons er eentje. Gelukkig maar, want eentje kan geen kwaad. Aan de andere kant, zo eentje ben ik niet. Nee, ik toost, en toost nóg eens: ik proost, op m’n dooie eentje!

Verleden tijd. Zo proost ik niet meer.

Pitt


Een beeld. In de stromende regen fiets ik over de Bilderdijkstraat richting Jellinek, vroeg in de ochtend. Ik nader een kruising en wacht bij het stoplicht, het is ook nog eens koud. Voor mij wacht een vrouw, haar dochtertje achterop de fiets, in een zitje. Allebei drijfnat. De regen komt met bakken uit de hemel, hun lange haren plakken in natte slierten aan hun jas. Het meisje kijkt wat naar links en kijkt eens naar rechts, het zit daar in alle rust! Ik bedenk: ze is hier geboren. Volkomen opgewassen tegen de elementen, tegen regen, kou en wind, ze groeide er mee op. Net als ik. Wanneer ik het kind daar zo rustig zie zitten, houd ik van dit land.


omhoog

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *