12 — hier zijn leeuwen

Hic sunt leones

Tijd nu voor een klein gedachte-experiment. Een man, een vrouw, een lokaal, het gebouw. Anders gezegd: stelt u zich een man en een vrouw voor, zij bevinden zich in een lokaal, het lokaal is in een gebouw, het gebouw ligt aan de Obrechtstraat. De man is ondersteboven; hij staat op zijn handen, zijn voeten steunen tegen een gesloten deur, die elk moment open geduwd kan worden. Hij roept: ‘Ein zwei drei vier!’ De vrouw kijkt op, zij roept naar hem: ‘Adoe! Kassi-an!’ U denkt: aha, twee verslaafden. Fout. Dat zijn twee behandelaars.

Een ander beeld, maar nu bent u gewaarschuwd. Een kleine ruimte beneden, dagdetox. Een gesprek tussen twee mannen, de een staat half in de deuropening. Het gaat over het warme eten in het gebouw, daar zijn klachten over. Die moet je wel serieus nemen want ze zijn er al sinds de oprichting in de jaren vijftig. De mannen vragen zich af: moeten de maaltijden in de grote heteluchtoven nu twee graden héter worden opgewarmd, of juist één graad kouder? U zegt: ‘Oké, die zijn duidelijk de weg kwijt, dit zijn zeker twee verslaafden!’ Fout. Dit zijn een verslaafde en een manager, van boven. Downstairs meets upstairs.

Ten slotte. Stel, u bent een man. Niet zomaar een man, maar een die gaat daten, vader gaat op stap. Jullie spreken de eerste keer af in een lunchroom. U denkt: wat voor werk zou zij doen? Daar was ze wat vaag over. Zij krijgt een broodje Goudse belegen. Uit haar handtas haalt ze een klein potje sambal en smeert wat over haar kaas. U denkt: ‘Wel verdorie, die is niet goed!’ Fout. Die is wél goed, maar zij werkt in de verslavingszorg. Alle behandelaars die regelmatig met cliënten broodmaaltijden eten, smeren daarna sambal op hun kaas. Drankzuchtigen doen het omdat hun smaakpapillen tijdelijk naar de bliksem zijn, zonder sambal proeven zij niks. En beide partijen ontdekken: sambal op je kaas is echt lekker!

Drie voorbeelden die het grote verschil illustreren tussen hoe de dingen lijken en hoe zij zijn. Dat verschil is er nagenoeg altijd. Ons brein heeft grote moeite de dingen an sich waar te nemen, domweg zoals ze zijn, het ziet de dingen voortdurend zoals het denkt dat ze zijn. Wij interpreteren. Ooit móest dat ook, zonder deze eigenschap was de mens er allang niet meer. Want het heeft geen zin, wanneer je op de savanne plotseling oog in oog met een leeuw staat, om dan alleen maar te denken: ‘Hee. Een leeuw.’ Voor de herstellende verslaafde is dat voortdurende interpreteren erg lastig. Stel dat zo’n drankzuchtige een wandelingetje maakt, heerlijk in de lentezon en opeens stuit hij op een terrasje, vol mensen. Wat ziet hij, letterlijk? Hij ziet mensen, aan tafeltjes, pratend, een glas voor zich, af en toe nemen zij een slok. Dat is alles, meer ziet hij niet. En wat denkt hij te zien? Dat is: vrije mensen, vol ongedwongen plezier, vrolijk, intens genietend van hun ijskoude bier of sprankelende witte wijn, zorgeloos, verhalen vertellend, en kijk, dat tafeltje daar, die bestellen doodleuk nóg eens!, straks zingen zij uit volle borst heerlijke liederen en hij, hij staat daar maar en kijkt toe… Om dit tafereel nog wat extra kleur te geven, plaatst zijn brein hem nu in gedachten aan dat ene vrije tafeltje aan de zijkant, hij ziet zichzelf zitten, bij al die anderen, met zijn glaasje Spa… hij draait zich om, loopt weg en weent bittere tranen.

Maar er is hoop. Voor ieder van ons en altijd. Namelijk: dit soort beelden verdwijnt langzaam, zij ebben weg, je bent ze kwijt na een jaar abstinentie. Dus houd het vol! Plus: je kunt je trainen in het neutraal naar de dingen kijken. Oók naar zo’n terrasje! De techniek die je daarvoor gebruikt is mindfulness. Ofwel: mediteren. Bestaat al tweeënhalf duizend jaar, dus zal wel iets zijn. Toch? Trouwe lezers raden het al: hier kom ik nog op terug. Uitgebreid.

De cliënt probeert om tóch met alles mee te doen en klaagt daarom over het eten in de kliniek. Dan voelt hij zich iemand. Ik heb altijd gedacht: wie hier klaagt over triviale zaken, die kan het wel vergeten. In mijn oude Heinzekliniek moesten niet alleen twee van ons eenmaal per week voor de hele groep koken — en juist dan waren er geen klachten, hoewel daar alle reden toe was — maar ook haalden we onze maaltijden vers uit de grote keuken beneden, in grote pannen en schotels brachten we die naar boven, waar wij zaten. Ik maakte bijna dagelijks een praatje met de hoofdkok, die altijd benieuwd was hoe het ons gesmaakt had. Eigenlijk was onze kliniek voor een deel een mooie nabootsing van het gewone leven. Midden in de stad, ook nog. Een keer biechtte ik hem op: ‘Sorry kok, er is iets vreselijks gebeurd. De behandelaar zei dat er soep op het menu stond en die moesten we dus als eerste eten.’ ‘Soep?’ vroeg hij. ‘Ja kok, dat zei de behandelaar. Maar toen uw rijst met goulash aan de beurt was, toen wás er helemaal geen goulash omdat we die als soep hadden opgegeten. Goulashsoep.’ Hij sloeg zich van plezier met een houten pollepel op zijn dijen. Dolle pret, met die verslaafden. ‘En toen?’ vroeg hij. ‘Toen moesten we de witte rijst met niks opeten, kok. Sommigen kiepten hun toetje erover.’ Nadat hij uitgeschaterd was, wilde hij weten: ‘Welke behandelaar was dat?’ Maar ik zei: ‘Dat zég ik niet!’

Ik ben behandelaars altijd erg trouw geweest.

Abstinent blijven is méér dan alleen maar niet drinken. Het is je leven opnieuw vormgeven, nieuwe dingen toevoegen, juist dingen die je niet eerder deed. Ikzelf koos daarom onder andere voor vrijwilligerswerk, direct na de dagbehandeling. Eén middag in de week ga ik met de 88-jarige Renée op stap, ze heeft beginnende Alzheimer. Ze woonde aanvankelijk nog alleen thuis, maar sinds een paar maanden zit zij in een bejaardentehuis. Daardoor leer ik ook de andere bewoners goed kennen. Eén ding leer ik snel: wil je hen begrijpen, dan moet je beseffen dat zij op een ander niveau praten dan wij. Een van hen zegt telkens tegen me: ‘Vanmiddag komt mijn zoon.’ Ik weet dat dat niet waar is. Eigenlijk zegt zij: ‘Ik voel me verloren.’ Een ander zegt af en toe: ‘Volgende week mag ik weer naar huis!’ Zij zegt eigenlijk: ‘Ik weet niet waar ik ben en wat ik hier doe. Ik wil dat alles weer wordt zoals vroeger.’

Met verslaafden gaat het ongeveer net zo. Zij zeggen dikwijls niet letterlijk wat ze bedoelen. En bovendien liegen ze vaak, dat komt er nog eens bij, ook hier in het gebouw. In de rooktuin, buiten, hoor ik soms hoe een terugval werkelijk was. Maar liegt de bejaarde vrouw wanneer ze zegt dat haar zoon komt? Als een drankzuchtige in de groep meldt: ‘Ik dronk twee glazen wijn en gooide de rest toen weg.’ Liegt hij dan? Of als hij zegt: ‘Ik nam een heel klein slokje, alleen om te proeven.’ Liegt hij dan? Nee, eigenlijk niet. Hij spreekt een diep verlangen uit, namelijk: dat het zo ging!

Ikzelf heb altijd gedacht, letterlijk altijd, wanneer ik weer begon na misschien twee weken droogstaan: alleen vandaag. En nóg zoiets: altijd, wanneer ik naar de supermarkt ging, kocht ik te weinig drank. Dan dacht ik: dat moet genoeg zijn. Even later kon ik weer naar buiten. Ik werd daar stapelmesjogge van, maar het veranderde nooit. Nou ja, dan beweeg je in ieder geval nog een beetje. En je ontnuchtert iets, onderweg, vooral in een stortbui.

Ik heb een prachtig voorbeeld, hoe moeilijk het soms voor een behandelaar is om een verslaafde te volgen. Naar aanleiding hiervan zei ik later tegen Cynthia: ‘Ik stel me wel eens voor dat jij na een hele werkdag thuiskomt, je partner schenkt je wat in en vraagt belangstellend: “Hoe ging het vandaag op je werk?” Wat moet jij dan in hemelsnaam zeggen? Hoe kun je dat ooit overbrengen, hoe het op je werk gaat?’

Tijdens dit voorbeeld zat ik toevallig een keer naast Michiel! Later werd mij dat min of meer verboden en moest ik ergens anders gaan zitten. Op de middelbare school ging het precies zo, aan het eind van elk schooljaar zat ik alleen. Sommige dingen veranderen niet erg. Eigenlijk niks. Nooit.

Het gebeurt tijdens de Analyse-module. Eerst ondervraagt Dolly een gast die een terugval heeft gehad. Die moet hij ten overstaan van de voltallige groep verantwoorden. De Jellinek noemt dat niet langer een ‘terugval’, zij hebben de verslaafden nu het woord ‘uitglijer’ cadeau gedaan. Die omarmen en koesteren dat woord, dat begrijpt u wel, je gleed uit, ach nou ja, pft, big deal, kan iedereen gebeuren. Die eerste verantwoording verloopt gelukkig erg vlot, veel cliënten weten wel hoe je een behandelaar naar de mond praat. Wie het niet weet, leert het snel. Dit is slechts op één manier heel mooi op te lossen, dat blijkt later, iets verder in de tijd. Maar niet alleen de terugvallen komen hier aan bod, ook het te laat komen in de groep moet besproken worden. Die beurt gaat naar Reggie. Hij komt herhaaldelijk te laat voor de dagopening om negen uur ’s ochtends. Nu is het Cynthia die hem vraagt of hij kan verklaren waarom dat de afgelopen week gebeurde.

Hij: ‘Nou ja, ik werd wakker, maar voelde me niet goed gewoon.’
Zij: ‘Wat voelde je dan?’
‘Nou, gewoon kut.’
‘Ja. En wat voel je dan?’
‘Nou, klote.’
‘En hoe voelt dat?’
‘Kut.’
‘Ja, maar als je je kut voelt, wat vóel je dan?’
‘Gewoon kut, toch?’
‘Maar wat bedoel jij dan met het woord kut?’
‘Nou, tering gewoon.’

Naast me zie ik Michiel langzaam van zijn stoel glijden, hij zakt half onder tafel, zijn mond vertrokken in een soort grimas: geluidloos stikken van het lachen kan behoorlijk zeer doen. Zelf hang ik helemaal slap over een lege stoel heen.

Maar nu komt het. Denk aan de bejaarden. Wat zei hij eigenlijk? Zijn wanhoop tijdens dit gesprekje was niet minder groot dan die van Cynthia. Wat hij werkelijk zei, bleek veel later pas. Hij stond voor een enorme opgave, waar hij tegen opzag als tegen een berg: hij moest zijn baas gaan vertellen dat hij het ergens niet mee eens was. Het zal de lezer nu niet erg verbazen te horen wat zijn probleem daarbij was: hij kon zich niet uiten. Hij kon niet zeggen wat hij voelde, tegen niemand. Zelfs dat hij dat niet kón, kon hij niet aan Cynthia en niet aan ons overbrengen. De dag van dat gesprek met zijn baas stond gepland en kwam steeds dichterbij, het greep hem helemaal bij de keel.

De oplossing was uiteindelijk simpel. Zijn coach van Back on Track, onderdeel van de Regenboog Groep, kreeg zijn onvermogen in de gaten en bood aan om met hem mee te gaan, mee naar die baas. En daar ging alles goed.

Hieruit blijkt wel de grote waarde die zo’n coach kan hebben. Ik zou niet aarzelen om contact met de Regenboog te zoeken wanneer ik zo iemand nodig had. Ik zou niet aarzelen om wát dan ook te doen, wanneer ik dat nodig had om abstinent te blijven.

Pitt

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *